Sep 2010 /

Meer informatie.

“Meer informatie.” In Wat we missen kunnen, edited by Daniël van der Meer et al., 169–175. Amsterdam: Babel & Voss, 2010.

1.

Wat we missen kunnen is geen vraag. Het is het antwoord op de vraag wat we kunnen missen.

McDonald’s, ABN AMRO, hypotheekrenteaftrek, zegt de een. Die kan dat wel missen, heeft het toch al zo goed.

Ontwikkelingshulp, Meldpunt Discriminatie, cultuursubsidies, zegt de ander. Die kan dat missen als kiespijn, vindt het allemaal maar verspilling.

Wat we missen kunnen lijkt dus niet direct een eenvormige verzameling te zijn. Wat echteralle concrete antwoorden gemeen hebben is hun ontnemende aspect; er wordt iets weggehaald, afgetrokken. Het Engels gebruikt daar een mooi voorzetsel voor: without. Metzonder. Mijn moeder zong vroeger ‘Moriaantje zo zwart als roet ging eens uit wandelen metzonder hoed.’ Miste Moriaantje nu die hoed?

En is het eigenlijk wel een vraag, wat kunnen we missen? Ik probeer me voor te stellen waar die vraag dan naar wil vragen. Tussen aanhalingstekens plaatsen werkt meestal wel verhelderend – die laten zinnen zo lekker uitwaaien.

‘Wat kunnen we missen?’

Laten we de vraag eens lezen als ‘wat kúnnen we missen?’ Het probleem van deze lezing is dat al bij voorbaat vaststaat dat we iets missen, en dat we dat iets niet moeten of zullen maar kunnen missen. We kunnen het aan het te missen, we kunnen er wel zonder mee. Wel metzonder.

Aan deze lezing gaat een veronderstelling vooraf, namelijk dat er iets ‘te veel’ is. Was de vraag geweest wat we kunnen ontberen, dan lagen de zaken er heel anders voor. Wat ontbeerd wordt is nodig voor lichamelijk of geestelijk overleven.

Wat gemist wordt is van iets vrijblijvender aard. En die vrijblijvendheid laat zich maar al te graag omvormen tot onduidelijke gevoelens van nostalgie. Zo mist de een hoe haar wijk er vroeger bij lag. De ander mist hoe zijn zondagsrust werd gerespecteerd. Geen van beide ontbeert echter iets.

De eerste ontdekkingsreizigers naar de Noordpool daarentegen zullen warmte niet in de eerste plaats hebben gemist. Zij ontbeerden haar. Zij werden niet van tijd tot tijd bevangen door gevoelens van nostalgie voor de warme haard die ze in hun thuisland hadden achtergelaten. Zij vochten die warmte terug te vinden – niet hier dan elders.

De vraag naar wat we kunnen missen blijkt dus een schandalig conservatieve vraag. Een antwoord heeft vooral tot gevolg dat degene die het geeft er een prettig gevoel aan overhoudt. ‘Hiermee kan ik wel zonder.’

Is dat nu dan missen, alles bij hetzelfde houden? Het is een vragen naar de bekende weg: ‘Ja, natuurlijk kan ik wel iets missen. Dit boek bijvoorbeeld.’

Vaak is dat ook waar, zeker met boeken. En net zo vaak is dat misplaatst. Waarom? Omdat ‘kunnen missen’ precies ontwijkt waar het bij missen om gaat. De mogelijkheid hebben te missen, te kunnen missen schakelt van tevoren ieder werkelijk gemis uit.

Ergens belt iemand iemand anders: ‘ik mis je.’ Missen is hier een uitspraak en handeling ineen, net als bidden of beloven. Het missen van ‘ik mis je’ heeft niets te maken met kunnen missen. Net zo min dat je, wanneer je bidt of belooft, dat doet om te laten zien dat je dat ‘kunt’. Als je iets mist is dat niet omdat je dat kunt missen. En omgekeerd: als je iets kunt missen kun je het niet meer missen. Een half jaar later bellen ze elkaar: ‘Ik kan je wel missen.’ Dan is het missen zeker voorbij. Als je missen heel vaak achter elkaar zegt wordt het als vanzelf een soort irritant gefluister.

Moeten we daar dan maar van afzien, van dat kunnen missen? Niet meteen. Laten we de zin lezen als ‘wat kunnen we míssen?’ Want kunnen missen is niet alleen het loslaten van inwisselbare prioriteiten, principes en projecten of de onverschilligheid van iets wel kunnen missen. Het kan zich namelijk ook openbaren als wat misschien wel een existentieel gemis genoemd kan worden.

‘Ik kan missen.’

Dit gemis heeft geen object. Een gemiste kans, op zijn hoogst. Tegelijkertijd heeft het ook niets van doen met ontberen. Ik kan niet zeggen dat ik kan ontberen. Ontberen overkomt je, kunnen missen vereist een actieve inzet, mits je bereid bent ook daadwerkelijk na te gaan wat dit dan betekent, ik kan missen. Het is onvermijdelijk dat dat een afweging is die altijd alleen de mijne is.

Jemeinigkeit is het mooie woord dat de filosoof Martin Heidegger daar ooit voor bedacht. Ik kan missen betekent niets anders dan dat ik in staat ben mezelf nooit als volledig te beschouwen, nooit in staat ben een compleet beeld van mijzelf te vormen.

Dit gemis aan overzicht weerspiegelt dan in een zekere voorzichtigheid, een voorzichtigheid die waarschuwt voor vragen als ‘wat kunnen we missen?’ Een kleine verlegging van het accent heeft onmiddellijke gevolgen.

‘Ík kan missen.’

Hier verkeer ik in volstrekte onzekerheid. Dit missen heeft wel weer een object, alleen ben ik dat nu zelf. Ik die dacht dat ik missen kon, mist nu ook daadwerkelijk. Dit is op zijn minst een onduidelijke situatie waarin een ik – in zoverre dat nog aanspreekbaar en ter verantwoording te roepen is – zelf geen helderheid meer kan scheppen.

 

2.

En omdat ik dat niet zelf kan, keer ik mij tot de jonge Italiaanse dichter Alessandro De Francesco, wiens bundel Ridefinizione (Herdefinitie) misschien een opening kan bieden om dit inmiddels uit de oorspronkelijke vraagcontext weggenomen missen te denken.

ze zoeken hem hebben hem uit zijn functie ontheven
alsof de tegenovergelegen woning alleen in het venster
bestaat ze stellen hun codes voor barcodes die
hij niet kan lezen gedragscodes ze bellen hem
met de telefoon maar ‘t kon ook zijn hij wil weten
wie ‘t is waaruit ‘t vandaan komt men neigt
grenzen te zien andere dingen in de dingen de
oorzaken van de feiten het gemis van gegevens over
alles maar bovenal over wat telt twee onbekenden
de een door iemand gewild
de ander voor altijd

Een van de kerngedachten uit de bundel is het ‘gemis van gegevens over alles’. Dit gemis wordt uitgedrukt in de gapende leegtes tussen de eenvormige, kapitaalloze woorden en zinnen, en door de bijna volledige afwezigheid van eigennamen.

Het wordt vergroot door de vorm van de gedichten. Zij worden beperkt door de randen van een onzichtbaar scherm, een scherm dat ons wijst op de aanvoer van informatie waarvan we door de vele schermen om ons heen constant worden voorzien. Net als de rechthoekige randen van ramen, foto’s, kranten en televisies breken ze onze perceptie af, ‘alsof de tegenovergelegen woning alleen in het venster bestaat’.

Het gemis is een gemis van gegevens ‘over wat telt’. Niet alleen in de figuurlijke zin van wat belangrijk is, maar vooral ook letterlijk: wat télt. Het getal, en het tellen en ver-tellen van alles wat op onze wereld bestaat, heeft in onze huidige maatschappij dusdanige proporties aangenomen dat het idee van wat een getal is misschien wel het grootste gemis is.

Maar het gaat De Francesco, en mij met hem, om iets anders.

Herdefinitie wordt bevolkt door anonieme ‘ze’s, ‘men’s, ‘hij’s en ‘t’s, maar enkele malen komt er een enkele ‘ik’ in het spel. Maar deze ik blijft, net als de witruimtes die hem omgeven, een doorzichtigheid die net zo goed zou kunnen vollopen met informatie totdat er slechts een witte ruis overblijft – een mist aan gegevens, omdat álles telt.

Maar.

misschien de witte en doorzichtige zak vol was
hebben ze verborgen in het dressoir ’t ademt

er is niemand in huis die middag

hallo hoi
‘t was al gesmolten
had de dingen bezet je weet het
daarmee verspreidden we onszelf in zijn matte ruimte

het antwoordapparaat springt altijd aan verzoekt een
bericht

Als deze ik zich al kan vinden, is dat altijd misschien. Mis-schien. Want alle grenzen die zich in het gemis aftekenen, zoals de witte, transparante zak – een nauwelijks waarneembare afscheiding tussen binnen en buiten, tussen orde en chaos, tussen informatie en ruis – zijn mogelijk, maar in die mogelijkheid ook potentieel mis, verkeerd.

Toch vormen ze even de kaders waarin zich de contouren van een gesprek, van communicatie aftekenen: ‘hallo hoi’. De een daar, ik hier, en het gemis ertussen.

De telefoon is altijd een paar, schreef de filosofe Avital Ronell.

Hij neemt op, er ontstaat een verbinding tussen ‘oorzaken’ en ‘feiten’. Orde is zijn deel, maar ‘’t was al gesmolten’. Voor een moment is er een opwelling, ‘je weet het’, maar daarna ‘verspreidden we onszelf in zijn matte ruimte’. De verbinding verbroken.

Opnieuw proberen. Het missen klinkt als een paar aangeslagen mintekens. Afbreekstreepjes. Metzonders. Na een tijdje krijgt hij het antwoordapparaat aan de lijn. Niet dat het antwoordapparaat daadwerkelijk antwoordt.

Vaak genoeg heb ik iemand toch nog voor een laatste keer proberen te bellen. Dat mislukte dan. Antwoordapparaat. Ik beëindigde mijn boodschap met een ikmisje en hing vertwijfeld op. Op zijn scherm verscheen dan de volgende ochtend ‘1 gemiste oproep’. We weten niet dat we missen.

Essay